1. Leraren worden bij hun eerste aanstelling aan het Krimpenerwaard College voor bepaalde tijd benoemd, tenzij anders is overeengekomen.
  2. De in art. 1 genoemde tijd betreft één (school)jaar, tenzij anders is overeengekomen.
  3. Gedurende het eerste jaar van de aanstelling wordt de leraar beoordeeld op zijn functioneren.
  4. De beoordeling wordt uitgevoerd door een beoordelingscommissie.
  5. De beoordelingscommissie kent zo mogelijk dezelfde samenstelling als de sollicitatiecommissie voor de betreffende functie en bevat in ieder geval de conrector belast met de dagelijkse leiding, een afdelingsleider en een vertegenwoordiger van de vaksectie.
  6. Tenminste twee leden van de beoordelingscommissie, waaronder in ieder geval de vertegenwoordiger van de vaksectie, volgen ieder tenminste twee lessen van de betrokken leraar: één vóór 15 december*) en één vóór 15 maart*).
  7. Uiterlijk drie lesdagen na het lesbezoek, en zo mogelijk nog dezelfde dag, wordt de gevolgde les door het lid van de beoordelingscommissie met de betrokken leraar nabesproken; de ervaringen worden ook schriftelijk middels een lesverslagformulier aan betrokkene gerapporteerd.
  8. De begeleider van de betrokken leraar ontvangt binnen 1 week een afschrift van het in art. 7 genoemde lesverslagformulier; de begeleider kan, op verzoek van de betrokken leraar, de nabespreking van de les als toehoorder bijwonen.
  9. De afdelingsleider voert vóór 1 februari*) een functioneringsgesprek met de betrokken leraar; daarbij wordt vooraf aan (een deel van) diens leerlingen gevraagd een korte vragenlijst over zijn lessen in te vullen.
  10. Uiterlijk 1 april*) stelt de beoordelingscommissie een beoordeling op, waarbij zij zich baseert op de ervaringen tijdens de gevolgde lessen, tevens op dan recente, volgens een vaste procedure bij leerlingen ingewonnen informatie, op het functioneren van betrokkene in de vaksectie en op de overige ervaringen van de leden van de commissie gedurende het schooljaar.
  11. De beoordeling wordt schriftelijk en beargumenteerd aan de schoolleiding gerapporteerd middels een beoordelingsformulier en vergezeld van een advies inzake het continueren van de aanstelling van de betrokken leraar.
  12. De schoolleiding beslist uiterlijk 15 april*), mede op basis van het advies van de beoordelingscommissie, omtrent het continueren van de aanstelling van de betrokken leraar.
  13. Indien de aanstelling wordt gecontinueerd zal dit, behoudens de in punt 14 hieronder omschreven situatie, mits het een structurele formatieplaats betreft en betrokkene voldoet aan de wettelijke (bevoegdheids-)eisen, geschieden in de vorm van een benoeming voor onbepaalde tijd.
  14. Wanneer de basis voor een besluit tot aanstelling voor onbepaalde tijd nog onvoldoende hecht is, terwijl de verwachting bestaat dat deze zich wel verder in die richting zal kunnen ontwikkelen, wordt de proeftijd met een jaar verlengd.
  15. Een lid van de schoolleiding voert vóór 1 mei*) een beoordelingsgesprek met de betrokken leraar, waarbij tevens het in art. 11 genoemde beoordelingsformulier zal worden overhandigd.
  16. De betrokken leraar wordt bij aanvang van het schooljaar*) op de hoogte gesteld van de beoordelingsprocedure.